Noodgedwongen omwegen hebben iets rustgevends. Je zit niet waar je dacht te zitten, je kijkt anders, je luistert scherper. Die middag begon onschuldig: de treinen tussen Rotterdam en Gouda reden niet, dus de stroom Feyenoord-supporters werd via Delft naar Leiden geleid. Ik zat in een niet overvolle coupé, loom van een dag ‘Wijn en Spijs’ in de studentenstad, mijn hoofd nog vol oude grappen van oude vrienden en toen was daar opeens dat geluid: geslurp.
Tegenover mij zat een man van een jaar of 75, hij leek op die Henk van de reclame. Hij zoog geconcentreerd aan een klein wit rietje, gestoken in een pakje drinken (ja, dat is een zelfstandig naamwoord!). Iets van appelsap, vermoed ik. Hij droeg een Feyenoordsjaal, slordig geknoopt, en een winterjas die onmiskenbaar uit de jaren negentig kwam. Zo’n jas die je niet vervangt zolang hij het doet. Niet in zijn goede goed, maar goed genoeg om naar het voetbal te gaan.

Hij had iets zachts, iets eenzaams ook. Sommige mannen dragen dat met zich mee zonder dat je het precies kunt aanwijzen. Het zat in de manier waarop hij zijn schouders iets liet hangen, in het kartonnetje dat hij alleen opdronk, in de nonchalance waarmee hij zijn sjaal droeg. Zijn vrouw te vroeg overleden, misschien. Aad, zijn vaste maatje met wie hij altijd naar De Kuip ging….sinds een jaar ook dood. Namen die blijven hangen, zelfs als de mensen verdwijnen.
Waar vroeger Aad zat, zat nu een hippe millennial in het stadion. Baardje, nette sneakers, telefoon permanent in de hand. Ze deelden de liefde voor de club, maar het contact was nog moeizaam. De oudere man in de trein kantelde zijn eigen telefoon, voorzichtig, alsof het apparaat hem nog steeds kon verrassen. Hij keek naar de samenvattingen. Doelpunten die hij net live had gezien, kwamen opnieuw voorbij. Die onmiskenbare stem van Arman, de beste commentator van de NOS.
Arman schreeuwde een beetje, zo leek het. De man zag dat die goal van die dooie Japanner onterecht was afgekeurd. De rest van de trein liet het begaan. Niemand zuchtte, niemand keek geïrriteerd. Alsof we collectief besloten hadden dat we deze man zijn troostende liefde voor Feyenoord gunde.
Ik keek om me heen en dacht: wat is zo’n club toch groot en belangrijk, ook als het minder gaat. Niet in omzet of bereik, maar in betekenis, cultureel gezien. Dat je op je vijfenzeventigste nog een seizoenskaart koopt. Dat je vanuit Leiden de trein pakt, omrijdt, overstapt, wacht. Feyenoord als houvast, als ritueel, als reden om de deur uit te gaan.
Zou die club aan klantenbinding doen? Niet met acties of apps, maar met aandacht. Of ze weten wie deze man is. Of ze zien dat hij alleen reist, dat zijn vaste maatje er niet meer is. Misschien kennen ze nog een andere 75-jarige man die zijn vrouw verloren heeft. Of een leuke vijftiger met een auto en eenzelfde ritme. Daar zou je toch iets voor kunnen regelen? Of past dat niet in de marketingstrategie, omdat het niet schaalbaar is?
De trein reed door, Mariahoeve, Voorschoten, Laan van NOI. Het geslurp hield op. Het pakje was leeg. De man vouwde het netjes op en stopte het weg. Even keek hij voor zich uit, tevreden misschien, of gewoon rustig. Hij stapte uit en ik over. Misschien had ik iets moeten zeggen.


