Terwijl ik richting de zuivelafdeling van de Hoogvliet wandelde, hoor ik op Radio 1 Erben Wennemars praten over het interview van Jutta Leerdam met Bert Maalderink. Er was wat gedoe ontstaan omdat Jutta in de aanloop naar haar wedstrijden even geen zin had in interviews. Met duidelijke tegenzin vertelde ze Bert dat ze simpelweg weinig te melden had. En als ze wél iets te zeggen had, zo gaf ze aan, dan deed ze dat via haar eigen sociale media. Daar bereikt ze immers vele malen meer mensen.

Erben deed vervolgens alsof hij daar een vernieuwende, bijna moedige mening over had. Dat was natuurlijk niet zo. Zoals altijd koos hij weer de kant van de sporter en vond hij dat ‘wij van de media’ – hij zit zelf immers gewoon bij de NOS – daar maar wat meer begrip voor moesten opbrengen. Sporters zitten volgens hem immers midden in de voorbereiding op de grootste wedstrijden van hun leven. Dan wil je niet steeds dezelfde vragen beantwoorden.
Normaal gesproken heb ik de automatische neiging om het oneens te zijn met Wennemars. Hij praat vaak makkelijk mee in zijn eigen straatje en sterke onderbouwing ontbreekt regelmatig. Het klinkt overtuigend, maar zelden analytisch. Toch moest ik dit keer toegeven dat hij een punt had. Olympische sporters hebben namelijk nauwelijks verplichtingen richting de media. Er bestaan geen harde afspraken tussen bonden en pers over het geven van interviews. De enige echte verplichting is dat sporters na afloop van hun wedstrijd door de mixed zone moeten lopen, opgelegd door het IOC.
Daarnaast is er nog Rule 40, maar die gaat vooral over commerciële uitingen rond de Spelen. Sporters moeten respectvol omgaan met de officiële sponsors en mogen niet te nadrukkelijk hun eigen commerciële partners promoten. Meer niet. Er is dus geen enkele regel die Jutta verplicht om steeds met Bert te praten, hoe graag sommigen dat ook zouden zien.
Historisch gezien wordt dat gebrek aan afspraken in balans gehouden door wederzijds belang. In de tijd van Rintje, Sven en Ireen was het volstrekt logisch om na de race even voor de NOS-microfoon te verschijnen. Zo kwam de sponsor op die merkwaardige muts of hoofdband netjes in beeld en dat zorgde er uiteindelijk voor dat die sporters betaald werden. Essent dacht immers: wij maken geld over omdat we in beeld komen. Media-aandacht was simpelweg onderdeel van het verdienmodel voor sporters.
Maar dat model is snel aan het verdwijnen en Jutta Leerdam is daar een duidelijke voorloper van. Zij verdient geen euro aan de video’s van Bert Maalderink. Haar inkomsten komen uit het publiek dat ze zelf heeft opgebouwd via haar sociale kanalen. Sponsors betalen haar omdat zij directe toegang heeft tot een specifieke doelgroep: de studerende Noah van 19 uit Lemmer-Oost, de net-werkende Mats uit Amsterdam-West en zelfs de dertigjarige Dylan uit New York. Allemaal mensen die je via de NOS nauwelijks bereikt, omdat er nu eenmaal vooral zestigplussers kijken.
De enige inhoudelijke reden dat Jutta nog met Bert praat, is om te voorkomen dat het een rel wordt. Ze heeft er geen belang bij dat de boomer-media wekenlang blijven zeuren over haar afwezigheid en dat kijkende ouders dit verhaal doorvertellen aan hun kinderen. Die kinderen zijn namelijk wél relevant voor haar businessmodel. Rust bewaren is soms simpelweg een strategische keuze.
En dat was uiteindelijk precies het punt dat Erben maakte. Hij zei, vrij vertaald: wij van de pers moeten niet zo huilie-huilie doen, maar gewoon zelf op zoek gaan naar goede verhalen. Niet leunen op vaste formats en vanzelfsprekende toegang, maar creatiever worden. En hoe vervelend ik het ook vond om toe te geven: daarin had hij gewoon gelijk.


